Gran Canaria heeft verrassend veel natuur te bieden voor een Atlantisch eiland van nog geen 1.600 vierkante kilometer. Van uitgestrekte zandduinen aan de zuidkust tot diepe ravijnen in het binnenland en weelderig groene bossen in het noorden: de natuur op Gran Canaria is gevarieerd en soms ronduit indrukwekkend. Het eiland wordt niet voor niets een “miniatuurcontinent” genoemd.
De duinen van Maspalomas: zand als in de Sahara
De duinen van Maspalomas zijn waarschijnlijk het bekendste natuurgebied van Gran Canaria. Het is een beschermd duinlandschap van ruim 400 hectare aan de zuidpunt van het eiland, met golvende zandduinen die soms wel 10 meter hoog worden. Het zand heeft een lichtgoudkleurige tint en het gebied voelt aan als een kleine woestijn. Toch staat er vlak achter de duinen een lagune met rietbegroeiing, de Charca de Maspalomas, die een trekpleister is voor trekvogels.
Loop je de duinen in richting het westen, dan kom je al snel weg van de drukte van het aangrenzende resort. Het gebied is rustig, stil en verrassend ongerept. Draag goede schoenen, want wandelen in los zand kost meer energie dan je verwacht. Vroeg in de ochtend is het licht ook op zijn mooist.
De canyons van Gran Canaria: het wilde westen van Europa
In het westelijke en centrale binnenland van Gran Canaria snijden diepe ravijnen, de zogenaamde “barrancos”, door het landschap. Bekende voorbeelden zijn de Barranco de Arguineguín en de Barranco de Mogán. De wanden zijn steil, de kleuren lopen uiteen van roodbruin tot grijsgroen, en in sommige delen zie je bijna geen andere wandelaars. Wandelaars vergelijken dit deel van het eiland weleens met het Wilde Westen, vanwege de droge, ruige omgeving.
De beste manier om dit gebied te verkennen is te voet. Er zijn diverse wandelroutes van gemiddeld 2 tot 5 uur die door de canyons lopen. Een huurauto maakt het makkelijker om bij de startpunten te komen, want het openbaar vervoer is hier beperkt.
Roque Nublo: het symbool van het eiland
Roque Nublo is een vulkanische rotsformatie op ruim 1.800 meter hoogte in het hart van Gran Canaria. De rots zelf is nog eens zo’n 80 meter hoog en steekt boven het omringende berglandschap uit. Vanuit vrijwel elk punt op het eiland is hij op heldere dagen te zien. Het beschermde natuurgebied eromheen heet het Parque Rural del Nublo en omvat ook de Roque Bentayga, een andere markante rots die voor de Guanchen (de oorspronkelijke bewoners van het eiland) heilig was.
De wandeling naar de voet van Roque Nublo vertrekt meestal vanaf de parkeerplaats bij Presa de las Niñas of bij het dorp Tejeda. De route is goed begaanbaar en duurt gemiddeld een uur heen. Bovenaan heb je een weids uitzicht over het eiland, en bij helder weer zie je de Teide op Tenerife in de verte.
Het noorden van Gran Canaria: groen en onontdekt
Het noorden van het eiland is heel anders dan het droge zuiden. Hier valt meer regen, waardoor er weelderige laurierbossen, bananaplantages en groene valleien te vinden zijn. Dorpen als Arucas, Moya en Teror liggen in een heuvelachtig landschap vol kleur. De natuur in het noorden voelt wilder en minder toeristische dan de natuur bij Maspalomas.
Bij de kust in het noorden liggen ruige klifkusten met zwarte lavastrand. De zee is hier ruwer dan in het zuiden, waardoor het minder geschikt is voor zwemmen maar juist indrukwekkend om te wandelen. Rondom de vuurtoren van Punta de Gáldar heb je een goed voorbeeld van dat ruige kustlandschap.
Pijnbossenwoud en hooggebergte: het midden van het eiland
In het centrale hoogland, rond de Cumbre, groeien grote pijnbossen. De Canariaanse pijnboom is bijzonder: hij overleeft ook bosbrand doordat hij na brand weer uitloopt vanuit de stam. Het bos rond de Pico de las Nieves (de hoogste punt van het eiland, net iets boven de 1.900 meter) is een goede plek om te wandelen in de schaduw. De temperaturen liggen hier overdag in de zomer aangenaam rond de 20 graden, terwijl het aan de kust 30 graden of meer kan zijn.
Vanuit de Pico de las Nieves, die je met de auto kunt bereiken, zie je op heldere dagen zowel de kust als het binnenland. Het is een van de weinige plekken op het eiland waar het in de winter soms sneeuwt.
Praktische tips voor natuur op Gran Canaria
- Draag altijd voldoende water bij je tijdens wandelingen. In het binnenland en het zuiden is het droog en zijn er weinig voorzieningen onderweg.
- De beste periode voor wandelen in de natuur is van oktober tot april. In de zomer kan het in de lager gelegen gebieden erg warm worden.
- Veel natuurgebieden op het eiland zijn beschermd. Houd je aan de paden en neem geen planten of stenen mee.
- Een huurauto is bijna onmisbaar als je meerdere natuurgebieden wilt bezoeken. Openbaar vervoer rijdt niet overal naartoe.
- De duinen van Maspalomas zijn bij zonsopgang het rustigst en het mooist verlicht.
Gran Canaria is voor wie natuur zoekt veel meer dan een strandeiland. Of je nu houdt van woestijnachtige duinen, diepe kloven, groene bergbossen of ruige klifkusten: het eiland biedt het allemaal op een oppervlakte die je in een week prima kunt verkennen. De variatie zit hem in de hoogteverschillen en de verschillende klimaatzones, en dat maakt elke dag de natuur op Gran Canaria anders.




























